Prioriteiten
• Seksualiteit wordt beschouwd als een
deelverschijnsel en daarmee als een deelontwikkeling in een bredere
ontwikkeling van het individu (in dit geval het kind, de jeugdige).
Het gaat hier vooral om het sociaal-cognitieve functioneren (en zich
ontwikkelen) en om het interactioneel-emotioneel functioneren (en
zich ontwikkelen). Een en ander betekent dat in onderzoek de plaats
en functie van seksualiteit in dat geheel en in samenhang met andere
aspecten van de ontwikkeling en van het functioneren meer zichtbaar
gemaakt dient te worden.
• Nieuwe onderzoeksthema’s worden benaderd vanuit de ontdekkings-,
actie- en belevingswereld van kinderen en jeugdigen, het zogenoemde
‘actor-perspectief ’. Dat betekent, dat niet alleen datgene wat ze
bewust doen en beleven van belang is, maar ook datgene wat onbewust
in hen leeft en gebeurt. Hoewel kinderen en jeugdigen zich mogelijk
niet bewust zijn van de betekenis van dingen die ze meemaken en
doen, is uit onderzoek bekend dat deze ervaringen van groot belang
kunnen zijn voor hun verdere ontwikkeling.
• Aandacht moet er ook zijn voor de ontwikkeling van en het
beschikken over sturingscompetenties, het geheel aan interactionele
en sociale vaardigheden. Deze zullen vooral relevant zijn wanneer
jeugdigen geïnvolveerd raken in erotisch en seksueel gekleurde
interacties, dus met name vóór, tijdens en na de puberteit.
• Belangrijk is verder de vraag hoe bij kinderen en jeugdigen de
integratie plaatsvindt van kennis, ervaring en waardering. Het gaat
hier met name om de verschillende verwachtingen waarmee het kind te
maken krijgt, de verschillende opvattingen die in de maatschappij
bestaan over seksualiteit. Het kind moet een weg hierin zoeken en
zich geleidelijk de kennis, betekenisgeving en beleving van
seksualiteit eigen maken, de verschillende aspecten integreren en
internaliseren.
• De aanzienlijke verschillen tussen jongens en meisjes in het
geheel van de ontwikkeling, de seksuele beleving en het seksueel
functioneren, dienen systematisch een plaats te hebben in het
programma; dat geldt ook voor verschillen in seksuele oriëntatie en
verschillen in etnisch-culturele milieus en daarmee samenhangende
verschillen in sociaal-emotionele en seksuele
ontwikkelingstrajecten.
• De maatschappelijke context dient in het programma de nodige
aandacht te krijgen. De effecten van de verschillende sociale
systemen en culturen, inclusief waarde- en normsystemen,
controlemechanismen, stimulerende en remmende wetgeving, dienen als
onderzoeksthema te worden opgenomen.
• Tenslotte: het krachtenveld waarbinnen de ontwikkeling zich
voltrekt is alleen dan goed in kaart te brengen als ook het veld op
zich, middels een geïntegreerde aanpak, wordt bestudeerd. Te denken
valt aan bestudering van opvoeding, onderwijs, maatschappelijke
regels, overheidsbeleid, wet- en regelgeving in een bepaalde
tijdsperiode.
Updated 25.09.2010
|